GeneaBlog

Een verzameling verkenningen die betrekking hebben op mijn genealogische onderzoekingen.


De Bucquoij

Naar aanleiding van een recente publicatie van A.J. van der Zeeuw in Gens Nostra heb ik weer eens wat verder gezocht naar leden van deze familie(s). Naast de tak waar ik zelf bij betrokken ben zijn er nog een aantal andere takken en takjes die vooralsnog niet met elkaar kunnen worden verbonden. Het artikel van Van der Zeeuw betreft twee takken, A en B, waarvan tak A ook in mijn gegevens voorkomt.

Tak A betreft een hypothetische stamvader Olivier de Bucquoy Tak B heeft vermoedelijk een Jean de Bucqoy als stamvader

Overige takken/takjes

Daniel Dubucquois Jerome de Bucquoy (~ca1609 Tournai?) & Jeanette le Helle Pacquette Bucquoy (1644 Tournai) & (1663 Amsterdam) Carel Phillipsz Kuvel (1643 Amsterdam)

In Friesland Suffridus Bucquoij (ca1650) ? Henricus Bucquoij (ca 1680) beiden Advocaten Hof van Friesland

In Zuid-Afrika: Maria Buqoij, vermeld bij transacties met slaven, in 1666, met Cornelis Qualbergen. Vermoedelijk na overlijden van haar man, Cornelis Verburg. (zie verder, bij Japan) Jacob Buqoij, als landmeter en kaartemaker vanuit de Kaap in 1720 naar Goa in India gezonden. Een aantal van zijn kaarten uit 1721 is bewaard gebleven. Vermoedelijk is hij dezelfde waarvan een vermelding wordt gemaakt in 1745 als auteur van "Zestien jarige reize naar de Indien Gedaan door J. Bucquoy, vol aanmerklijke ontmoetingen"

In Zwijndrecht: Pierre van Buquoij & Anna Pels, woonende tot Cuelen, getrouwd 10-4-1622

Surat, in de Indiase deelstaat Gujarat Was vroeger een belangrijke opstapplaats voor bedevaartgangers naar Mekka. Er was een VOC handelspost & fabriek. Directeur was er Jaques de Bucquoij van minstens 1681 tot minstens 1687. Hij is ca 1695 overleden, blijkens sententie Raet van Justitie tot Batavia, dd 3-12-1695

Batavia Daniel de Buquoij was er van ca 1631 tot minstens 1634 weesmeester en secretaris

Noordwijk Jacob Boeckweyt is er notaris en secretaris rond 1699. Boeckweyt is vermoedelijk een verbastering van Bucquoij

Utrecht Coenraadt de Bucquoy & Maria Muyssart (beiden + < 29-11-1709) Abraham de Bucquoy (+ < 18-11-1745 Utrecht) & Johanna Maria la Roche Abraham de Bucquoy junior (advocaat Hof van Utrecht) Maria Cornelia de Bucquoy & (1749 Utrecht) Franciscus Mattyssen (luitenant) Hun erfenis bevat o.a. een huis in Leiden, hoek Breestraat en Mooyjapensteegh

Het regentengeslacht Calkoen is verwant aan Muyssart. Isaac Muyssart & Margaretha du Bucquoy Abraham Muyssart (1676-1724) & (1700) Clara Magdalena de Haze (1677-1710)

Japan Zacharias Wagner (1614-1668) trouwt 1666 Maria Buquoij, in Batavia, nadat Cornelis Qualbergen hem heeft afgelost.

Tak wordt daarmee vermoedelijk: Daniel de Bucquoij Maria de Bucquoij & Cornelis Verburg idem & Zacharias Wagner (1614-1668) Jacques de Bucquoij (gezant naar Candia, en directeur Surat)

Leiden (ook gerelateerd aan Caret & Hoppa) tak Philippe de Bucquoij (ca 1580) Antonie de Bucquoij (ca 1615 Canterbury)



Landrotten?

Tamelijk diep landinwaarts, in de onderste punt van het voormalige graafschap Oldenburg, liggen de oude stadjes Steinfeld en Lohne. Uit deze streek trok men van oudsher naar het veel rijkere Nederland en Friesland om te werken in de landbouw. Ter plaatse waren weinig mogelijkheden, omdat alleen de oudste zoon het land erfde, en de omstandigheden in dit moerassige en arme stuk in Westelijk Duitsland niet bepaald gunstig waren. Oorlogen, horigheid, en zesjarige dienstplicht waren goede redenen om weg te trekken. Uiteindelijk zou rond 1850 30% van de bevolking t.o.v. 1800 zijn "ausgewandert", naar Amerika en Zuid-Afrika, en later ook naar noordelijk Hongarije.

Van oudsher trokken de mannen er te voet op uit, als seizoensarbeiders, de hannekemaaiers. En ook op de haringvloten (up'n Büs gaohn) en grote vaart werkten vele Duitsers, vooral begin 19e eeuw. Zo ook uit Lohne en omgeving. De haringvangst liep van maart tot oktober, zodat men in de herfst weer bij de familie terug was. Het Plattdütsch dat thuis werd gesproken leek bovendien veel op Hollands, ongetwijfeld een voordeel.

Te voet trok men in groepen naar de zeehavens in Duitsland, met name Stettin, en naar Holland, een voettocht van zo'n 500 resp. 400 km. De jongsten waren vaak pas 11 jaar! Dat Holland ver weg was had als voordeel dat de zeelui een toeslag kregen, een Gulden Holländisch.

Vooral toen de seizoensarbeid in Nederland begin 19e eeuw terugliep probeerden velen werk te vinden op de schepen. Om hun kansen te vergroten besloot in 1817 in Mühlen, gelegen tussen Steinfeld en Lohne, de plaatselijke leraar Johan Henrich Rabe een verzoek te richten aan het hertogelijke bestuur om een zeevaartschool te stichten. Hij gaf al enig zeevaart onderwijs aan de kinderen. Zijn kennis had hij opgedaan in Holland, en de eerste jaren gebruiket hij dan ook Nederlandse leerboeken. Zo kwam in 1817, 1oo km landinwaarts, de Mühler Navigationsschule tot stand.

Uiteindelijk zou rond 1850 meer dan 10% van alle Oldenburger zeelui uit Lohne en omgeving komen. Het schoolgebouw is onlangs gerestaureerd, en biedt exposities over de geschiedenis.

Een groot aandeel in het succes van de lokale zeelui had pastoor Bernd Vahlending. Van 1807 tot 1847 schreef hij voor vele zeelui de aanbevelingsbrieven. Verder verzorgde hij ook de administratieve afwikkeling van zaken rondom bijv. overlijden van zeelui in het buitenland. Zijn archief is bewaard gebleven, en biedt een schat aan informatie over het wel en wee van de toenmalige bewoners. Ik hoop er t.z.t. nog eens informatie te vinden over mijn voorvader.

Herm. Henrich Fortmann

Een van de jongens die meester Rabe in zijn klas zal hebben gehad is mijn voorvader Herm. Henrich Fortmann. Volgens zijn huwelijksbijlagen is hij geboren in 1793 te Lohne. Van zijn voorouders ken ik alleende namen van zijn vader en moeder: Henrich Fortmann en Elisabeth Rönneker. Veel namen in dit gebied houden verband met water. Fort = Furt = Fahrt > Durchfahrt, dus zoiets als Vaartman en Rönne = Rinne = goot of geul.

In het Oldenburgse graafschap kwam een vorm van achterleen voor die Hausgenossen werd genoemd. Jaarlijks met Pinksteren verzamelden de leenmannen zich op de hoeve Bröringmeyer, in Lohne. Er waren 22 leengerechtigde families/hoeven, waaronder ook Fortmann. Vooralsnog is onbekend of "mijn" Fortmann tot deze tak behoort.

Herm is vermoedelijk degene die vermeld wordt als stuurman Herm. Henrich Fortmann in een brief aan pastoor Vahlending. In september 1817 had de pastoor een aanbeveling gestuurd voor kapitein Bernd Rohe uit Steinfeld aan de Heringsfischfang-Compagnie te Stettin. Bij de bevestiging in december werd tevens om meer personeel gevraagd. Hiervoor werd de pastoor eind januari 1818 door de compagnie bedankt. Herm. Henrich is dan ongeveer 25 jaar. Drie jaar later, in 1821, zou hij de haringstad Vlaardingen trouwen.

Vermoedelijk was Herm. Fortmann verwant aan voormelde kapitein Bernd Rohe (1773-1851), aangezien deze als moeder had: Dorothea Gertrud Vortmann, overleden 1803 te Südlohne.

Seefahrerschule Mühlen

Links en bronnen:



"Overleden op zee"

Verstopt in de genealogische gegevens zit ook heel wat drama. Gezien het grote aantal zeevarende voorvaderen en hun verwanten is bijvoorbeeld het overlijden "op zee" niet zeldzaam. In een apart overzicht zal ik deze mannen gaan vermelden, met zo mogelijk meer details over de omstandigheden.

Hier een eerste begin van een overzicht:



Kelten!

Gisteren ontving ik het rapport van mijn DNA onderzoek, uitgevoerd namens het Kon. Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde door het Forensisch Lab van het LUMC te Leiden. En wat blijkt: ik ben in de mannelijke lijn een Kelt. De haplogroep is R1b3

R1b wordt ook wel het Atlantic Modal Haplotype (AMH) genoemd. Deze bevolkingsgroep is ruim 35.000 jaar geleden vanuit het midden van Afrika, via de Balkan naar Spanje getrokken. Na de laatste ijstijd verspreidden zij zich over West-Europa. In sommige delen van Engeland, Ierland, Schotland, Spanje, Portugal en Frankrijk behoort meer dan 90% van de bewoners nog steeds tot dit haplotype.

Informatie over de verspreiding van mijn subhaplogroep R1b3 is nog niet in voldoende mate bekend. Wel is bekend dat in Noord-Frankrijk, België en Zuid-Nederland een hoge variatie in het R1b voorkomt. Ik heb via de database van de YHRD wél gevonden dat er één haplotype matcht op alle 16 samplecodes, en wel in Italië, in Ravenna. Wanneer alleen gekeken wordt naar de eerste 7 samplecodes, waar de meeste informatie voor beschikbaar is, vind ik 10 resultaten voor Nederland: 3 in Limburg (vlak bij grens Brabant), 3 in Leiden, 2 in Groningen, 1 in Zeeland en 1 in de buurt van Amersfoort.

Overigens is zoeken in de YHRD database beperkt tot tweemaal per dag. Na registratie is dit 20 maal.

Het resultaat van de Y-STR haplotype analyse volgt hieronder. Komt uw haplotype hier helemaal mee overeen? Laat het me weten! Wellicht sluiten onze stambomen ergens aan.
DYS1914
DYS389I13
DYS389II29
DYS39025
DYS39111
DYS39213
DYS39313
DYS38511,14
DYS43812
DYS43912
DYS43715
DYS44819
DYS45615
DYS45817
DYS63523
GATA_H4 12

Standaard AMH (type #1) heeft een waarde voor DYS390 van 24. Mijn haplotype wijkt hier vanaf. Dit zou kunnen wijzen op een Ierse of Iberische oorsprong.

Ik vermoed dat mijn voorvaderen in mannelijke lijn al rond het jaar nul in Zuid-Nederland en Noord-België woonden. Daar woonden o.a. de stam van de Eburonen, een Keltische bevolkingsgroep die door Caesar in 57 v. Chr. werd overwonnen, beschreven in "De Bello Gallico". Hun aanvoerders waren Ambiorix en Catuvolcus, die in 54 v. Chr. in opstand kwamen tegen de Romeinen, maar uiteindelijk werden verslagen.

Overigens stammen alle mannen die nu leven af van een "Adam" die ongeveer 60.000 tot 90.000 jaar geleden leefde.

Links:



Van krekenlandschap tot Delfland

Ooit hadden water en wind vrij spel in de oude Maas- en Rijndelta. Waar zich nu Delfland bevindt lag toen een omvangrijk getijdengebied, met duinen, zandplaten, oeverwallen en kreken. Sporen van dit landschap, en met name de kreken, zijn ook nu nog terug te vinden voor wie er oog voor heeft. Wegen en kaden waar ik als kind fietste volgen nog vaak de oude waterlopen: de Harreweg tussen Kethel en Delft, de Groeneweg in Kethel, de Schie, de Vlaardingse vaart, de Rotte enz.

Maasdelta rond 1100, met Lek, Rotte en Flardinga

Al voor de Romeinse tijd vestigden zich mensen, om te vissen en te jagen, en kleine akkertjes bewerkend, de geestgronden. Door de overheersend Zuidwestelijke winden waren aan de Noordzijde langs de rivieren en kreken oeverwallen ontstaan. Samen met de duinen ontstond zo bij een stroomgat een hoekwal naar het Zuidwesten, een haakwal. De naam Hoek van Holland verwijst hier nog naar. In deze stroomgaten was het goed vissen. Het visnet werd stael genoemd, vandaar Staelduinse bos. Kreken werden voorzien van primitieve spui- en inlaatsluizen, al voor de Romeinen dat op grotere schaal deden.

Na het vertrek van de Romeinen, rond 400, brak een nattere periode aan. Wallen en dijkjes spoelden grotendeels weer weg. Slechts op enkele plaatsen handhaafden de bewoners zich, o.a. in Maasland en Vlaardingen, in welke plaats Willibrordus in 695 een kerk stichtte. Langzamerhand wordt het gebied weer bewoond. En als rond 1100 opnieuw een nattere periode begint worden de gebieden ingepolderd, en blijft bewoning mogelijk door de aanleg van de Maasdijk. Er ontstaan polders en bestuurlijk wordt het gebied verdeeld in ambachten. De Westelijke ambachten van Delfland werden het Westland genoemd. Bij duindoorbraken spoelde daar het veen steeds weg, en bleef een zanderige kleilaag over. Verder naar het Oosten bevonden zich nog wel uitgestrekte veengebieden. Bij de dammen ontstonden nederzettingen waaronder Schie-dam en Rotte-dam.

In de Romeinse tijd mondde de Maas uit bij Naaldwijk. Ter plaatse was ook een Romeinse haven. Tussen deze haven bij de Maasmond en de Noorderlijkere Rijnmonding, nabij Leiden, hebben de Romeinen het Kanaal van Curbulo gegraven, met parallel een Romeinse weg. Hiervan zijn nog zeer recentelijk mijlpalen gevonden. De Romeinen maakten grotendeels gebruik van al bestaande kreken, met name de Gantel, waarvan ook nu nog restanten bestaan. Op een groot deel van het traject loopt nu nog de Vliet. Later, vermoedelijk in de Middeleeuwen, werd een verbinding tussen Vliet en de kreken van de Schie gedolven. De naam van Delft verwijst hier nog naar.

Ook Vlaardingen is langs een kreek gesticht, de Flardinge, en Kethel werd gesticht aan de Ketel ook wel Harg genoemd. Behalve de kerk in Vlaardingen stichtte Willibrord ook een aantal kapellen in de omgeving. Een daarvan was Harga, langs de gelijknamige kreek. Vermoedelijk na de overstromingen van 1274 werd dit dorp iets noordelijker herbouwd als Kethel. Door inklinking was ook verbetering van de afwatering noodzakelijk geworden. De Poldervaart werd gegraven, in 1280.

Links



Beckum Stadt & Beckman

Het kan geen toeval zijn dat de naam van een schoonzoon van Anna Sibilla Beekman voorkomt in Beckum en omgeving, Oostelijk van Münster. Dorus Bune trouwt met Caetje van der Linden. Ik had nog geen nakomelingen uit dit huwelijk, maar recentelijk ontdekte ik hun nageslacht bij Hans Geskes in GeneaNet. Een mooie aanvulling op de zich uitbreidende genealogie van Petrus Maessen.

De naam Bune komt vooral voor in Beckum Stadt en in plaatsen als Ascheberg en Diestedde. In deze laatste plaats komt een Theodorus Bune voor die wel eens zijn voorvader kan zijn.

Verder zoekend onder Beckum vond ik nu ook de vermoedelijke ouders en familie van Anna Cibilla Beckman, zoals ik haar nu noem. Vermoedelijk bestonden er connecties tussen Münsterland en 's-Hertogenbosch, want daar komen Bune en Beckman voor. Bovendien is Anna Sibilla vermoedelijk in Den Bosch overleden, blijkens aantekeningen in Vlaardingen.

Er zijn meer connecties. In Rotterdam trouwt in 1739 Hendrik Jansz van der Parre, uit de Meijerij, met Lijsbet Beekmans, uit Beekum (=Beckum). Dit is vermoedelijk een nicht van Anna. Rond 1788 woont woont in Putte, NB het echtpaar Johann Bernard Beckman en Anna Veer. Hij is vermoedelijk verwant aan Anna Sibilla. In Den Bosch een echtpaar Aegidius Beekman en Helena Beijers. Getuigen in 1779 bij doop van hun dochter Helena zijn: Hubertus Beek en Allegonda Beckman. Een Maria Beckman (zus Anna Sibilla?) is samen met Franciscus Becker doopgetuige in 1761. In 1810 wordt in Den Bosch Joannes Gerardus Bune gedoopt, vader Wilhelmus en Adriana van Berkel/Borkel. Deze Jan gaat trouwt in Dordrecht in 1840. En last but not least, de moeder van ene Jan Waltman is Antje Bune, overleden 2-6-1849 Maassluis, getrouwd met Jan Waltman. Hij trouwt 23-10-1861 te Schiedam met Geertruida Beckman, dochter van Henricus Balthasar Beckman (uit Wellingholzhausen, bij Osnabrück) en Anna Maria Magdalena Zundorf. Vermoedelijk is Antje een dochter van Doris Bune.

Er is nog een connectie die de aandacht verdient. Zowel in Brabant als in Münsterland hield men zich met de lakenindustrie bezig. Men komt dan ook Aussiedler tegen als lakenkoopman in o.a. Rotterdam. Misschien komt van der Linden wel uit ditzelfde gebied. Er is zelfs een tak van der Linden in Leiden die hiervan afstamt.

Geschiedenis Beckum e.o.

Beckum ligt in het Münsterland ten Oosten van Münster. Het landschap is heuvelachtig en er ontspringen talrijke beekjes die uiteindelijk in de Eems uitwateren. Beckum betekent dan ook Bachheim - das Heim an den Bächen en is ontstaan waar twee oude handelswegen kruisten, die van Münster naar Paderborn en die van Hamm, over Lippe naar Warendorf. Na de bloei vanaf de Karolingische tijd tot in de late Middeleeuwen trad een lange periode van economische stagnatie aan die tot het begin van de 19e eeuw duurde. Oorzaken waren oorlogen, plagen, en ook stadsbranden. In 1734 brandt een groot deel van de stad af. Geen wonder dat sommige bewoners hun heil in het rijke Westen zochten. Meerder voorouders en aangetrouwden komen uit dit gebied, wellicht verdreven na de grote stadsbrand.

Ascheberg is een klein Saksische boerendorp ontstaan in de 9e eeuw. Diestedde is een klein stadje. De naam betekent Thing-Stätte, een plek waar vanouds recht werd gesproken.

Namen uit het Münsterland kom ik regelmatig tegen als herkomst van voorouders en aangetrouwden. Hun namen komen voor in plaatsen als: Ahlen, Telgte, Warendorf, Amelsbühren, Alverskirchen, Wadersloh etc. Ook bekende Rijnmondse namen als Scheffer, Zoetmulder, Bruggeman, van Galen en Rondeltap komen uit Beckum.

Links



Johannes Eliza Criellaert (1766-1840)

Bij naspeuringen in het oude kadaster van de Noord-Kethelpolder kwam ik vaak de naam Johannes Eliza Criellaert, azijnmaker, tegen. Hoewel geen familierelatie werd ik wel nieuwsgierig naar deze persoon.

Johannes werd 19-1-1766 gedoopt (Geref.) te Rotterdam, ouders: Sierach Criellaert (Rotterdam 1730, Cool 1809) en Bartha Clara Fenema (ca1732, Rotterdam 1812). Hij trouwde 18-1-1790 te Rotterdam (wonend Weste Wagenstraat) met Cornelia van der Aa (Rotterdam 1767), en overleed te Rotterdam, 3-4-1840. De Criellaerts vormden een welgesteld koopmansgeslacht. Vader Sierach bezat plantages in Suriname. De vader van Sierach, Jan Criellaert was afkomstig uit Woudrichem (Worcum).

In 1783 koopt Johans vader Sierach het landgoed de Tempel, gelegen aan de Oostzijde van de Schie vrijwel t.o. de Noord-Kethelpolder. Dit oude leen was eerder van Johan van Oldebarneveld. De naam verwijst naar templa, een balk die een sluisdeur openhoudt zodat water in- en uit kan stromen. Het gebiedje De Tempel bestond vermoedelijk al ten tijde van het graven van de Poldervaart, rond 1280.

Johan is de grootvader van de schilders Johannes Eliza Criellaert (Rotterdam 1816, Rotterdam 1898), en Cornelis Criellaert (Rotterdam 1820, Arnhem 1880), zonen van Sierach Bartholomeus Criellaert (Rotterdam 1790) en Johanna Charlota Fenema.

Johan was oom van de liberale politicus en bierbrouwer Martinus Wijnaendts (Overschie 1793, Delft 1842) zoon van bierbrouwer Willem Wijnaendst ('s-Hertogenbosch 1757, Rotterdam? 1839) en Catharina Adriana Criellaert (Rotterdam 1764, Rotterdam 1795) die in de periode 1838-1842 lid was van de Tweed Kamer. Martinus woonde aan de Zweth, in huize Welgelegen. Zijn vader Willem hertrouwde met Catharina Johanna Groen van Prinsterer (Heesch 1772, Overschie 1838).

Johannes wordt azijnmaker genoemd, en ook koopman. Dat hij zich met de azijnmakerij bezig hield was nogal logisch omdat zijn voorouders vermoedelijk bierbrouwers waren. Azijnmakerij is een aan brouwerij verwante activiteit, net als de branderij overigens.

Zijn kleinzoon Johannes Eliza Criellaert beschikte op de Tempel over een grote collectie opgezette vogels. Ongetwijfeld mede bedoeld als tekenobjecten. Na zijn dood is deze collectie overgegaan naar het Natuurhistorisch Museum te Rotterdam. Het buiten de Tempel werd toen verkocht.

Misschien zijn de polders rondom de Tempel wel terug te vinden in het werk van Johannes kunstzinnige kleinzonen.